Werkgever ditmaal niet aansprakelijk voor burn-out van werknemer

Sinds 1971 is werkneemster werkzaam in een laboratorium in een ziekenhuis als laborante. In 2010 raakt werkneemster arbeidsongeschikt. Re-integratie verloopt niet goed. Werkneemster wordt op enig moment opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. Werkneemster heeft sindsdien geen werkzaamheden meer verricht. De vrouw is inmiddels 65 jaar oud.

De ex-laborante wil haar werkgever aansprakelijk stellen voor de burn-out en de daaruit vloeiende arbeidsongeschiktheid. Het ziekenhuis zou tekort zijn geschoten om maatregelen te treffen om de werkomstandigheden te verbeteren. Daarom zou de werkgever zijn zorgplicht hebben geschonden (artikel 7:658 BW). Werkneemster verwijt dat de werkomstandigheden niet goed waren, dat sprake is van schending van periodiek medisch onderzoek en klaagt over de rol van de bedrijfsarts bij het re-integratietraject.

Oordeel kantonrechter

In 2014 valt het oordeel dat de werkneemster volledig arbeidsongeschikt is verklaard. Met toestemming van het UWV wordt de arbeidsovereenkomst per 1 september 2015 beëindigd. Werkneemster heeft vervolgens de werkgever aangesproken voor de arbeidsongeschiktheid. De rechter heeft vastgesteld dat de ex-werkneemster spanningsklachten heeft, die aan te duiden zijn als een burn-out. Echter, volgens de kantonrechter is niet bewezen dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen het krijgen van de burn-out en het verrichten van de werkzaamheden voor werkgever.

Oordeel hof

Volgens het hof heeft de werkneemster haar drie (3) stellingen onvoldoende onderbouwd. Volgens het hof blijkt uit de werkzaamheden van de ex-werkneemster niet dat sprake is van voor de gezondheid gevaarlijke omstandigheden. De vrouw heeft de werkzaamheden in de periode 1971 tot en met 2010 verricht en nooit gezondheidsproblemen gehad. Werkneemster heeft onvoldoende onderbouwd waarom de werkgever van een (te) hoge werkdruk afwist en heeft nagelaten om actie te ondernemen. Er kan geen verwijt worden gemaakt dat de werkgever de burn-out heeft veroorzaakt.

Daarnaast heeft werkneemster zich op het standpunt gesteld dat periodiek geen medisch onderzoek is gedaan, terwijl dat wel verplicht zou zijn. Een dergelijk onderzoek ziet op voorkoming of beperking van risico’s die het werk voor de gezondheid van de werknemers meebrengen. De wetgever heeft niet vastgelegd hoe vaak een dergelijk onderzoek moet plaatsvinden. Dit is van meerdere factoren afhankelijk, waaronder de mate waarin werknemers aan gezondheidsrisico’s worden blootgesteld bij de uitoefening van het werk. Daarnaast is in het kader van een RI&E een periodiek medisch onderzoek ingesteld. Werkneemster had moeten aantonen wanneer een nieuw onderzoek volgens haar had moeten plaatsvinden en waarom. Er is in hoger beroep niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een causaal verband tussen de schade en de gestelde overtreding door de werkgever. Tot slot oordeelt het hof dat de klacht met betrekking tot de re-integratie aan de hand van de feiten en omstandigheden niet wijzen op een fout van de bedrijfsarts. Het hoger beroep wordt verworpen.

Klik hier voor de volledige uitspraak.

Silver Advocaten

Heeft u een vraag over de werkgeversaansprakelijkheid of een andere arbeidsrechtelijke vraag? Neem dan vrijblijvend contact met ons op.

Victor Welten

Wij staan voor u klaar

  • Wij laten niet los
  • 10+ jaar ervaring
  • Eerlijk en transparant
Stel ons uw vraag Laat ons u bellen