Ontslag op staande voet wegens nevenwerkzaamheden ondanks geen beding bestond

Werknemer is in 1991 bij werkgever in dienst getreden als chauffeur. In 2010 kon werknemer geen werk verrichten in verband met heupklachten. Ook zijn pogingen tot re-integratie niet geslaagd. Werkgever is in 2013 gestopt met het betalen van loon. In 2014 heeft de werkgever een beëindigingsovereenkomst aan de werknemer voorgelegd. Werknemer heeft besloten niet in te stemmen met het beëindigingsvoorstel. Werkgever heeft bij het UWV een verzoek ingediend om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Dit verzoek is door het UWV afgewezen. Er zijn inspanningen geleverd om de werknemer binnen het bedrijf passend werk te laten verrichten. Dit is niet gelukt. Vanaf 2016 ontvangt de werknemer een IVA-uitkering.

Na een beslissing van de Hoge Raad (de Xella-beschikking) heeft werknemer aan werkgever verzocht in te stemmen met een beëindiging van de overeenkomst met toekenning van een transitievergoeding. Werkgever weigert in te stemmen met de beëindiging van het slapende dienstverband van werknemer. Werknemer start een procedure. Volgens werknemer heeft de werkgever zich niet als goed werkgever gedragen en ernstig verwijtbaar gehandeld. Werknemer vraagt aan de kantonrechter om de arbeidsovereenkomst te ontbinden en een vergoeding toe te kennen.

Kantonrechter

De kantonrechter heeft de arbeidsovereenkomst ontbonden. Ook is werkgever veroordeeld een vergoeding van bijna 52.000 euro aan werknemer te betalen. Werkgever zou gehouden zijn deze vergoeding te betalen in het kader van artikel 7:610 BW. Het is niet van belang of de werkgever al dan niet aanspraak kan maken op de compensatieregeling.

Hof

Werkgever is het niet eens met het oordeel van de kantonrechter. Het hof is het eens met de kantonrechter dat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen wegens het niet instemmen met de beëindiging.

Het gaat om de vraag of de werkgever heeft gehandeld als een goed werkgever. Het hof kijkt allereerst of het van belang is dat een werkgever in aanmerking komt voor de compensatieregeling alvorens van hem verlangd kan worden in te stemmen met het voorstel tot beëindiging van werknemer. De hof acht het in dit geval van belang. In beginsel hoefde de werkgever daarom niet in te stemmen met het voorstel van werknemer inclusief toekenning van een transitievergoeding. Van beslissend belang is of de werkgever in aanmerking komt voor compensatie.

Het weigeren in te stemmen met de beëindiging is in dit geval niet aan te merken als ernstig verwijtbaar of strijdig met het goed werkgeverschap. Dit houdt verband met het feit dat het dienstverband ‘slapend’ was voordat de Wwz intrad. Werknemer kan daarom geen aanspraak maken op een vergoeding die vergelijkbaar is met de transitievergoeding.

De werkgever komt in dit geval niet in aanmerking voor de compensatieregeling nu het dienstverband reeds in 2012 had kunnen worden beëindigd. Omdat werkgever niet in aanmerking zou komen voor de compensatie, is de weigering niet te kwalificeren als ‘strijdig met het goed werkgeverschap’. Er hoeft geen vergoeding aan werknemer te worden betaald. Werknemer moet de vergoeding aan werkgever terugbetalen.

Klik hier voor de volledige uitspraak.

Silver Advocaten

Heeft u een vraag over slapende dienstverbanden of een andere arbeidsrechtelijke vraag? Neem dan vrijblijvend contact met ons op.

Jip van Vlokhoven

Wij staan voor u klaar

  • Wij laten niet los
  • 10+ jaar ervaring
  • Eerlijk en transparant
Stel ons uw vraag Laat ons u bellen