Schadevergoeding op grond van art. 7:611 BW na intrekking ontslag op staande voet

Werknemer is als chauffeur in vaste dienst bij werkgever FedEx. Op enig moment wordt de werknemer bij de leidinggevende geroepen. Daar werden foto’s getoond van een pakket. Uit het pakket zouden oorbellen zijn gehaald die een waarde hebben van 30.000 euro. De werknemer heeft geen verklaring gegeven. Diezelfde dag is de man op non-actief gezet. Het bedrijf is een onderzoek gestart naar de vermissing van de zending.

Later is een ontslag op staande voet gegeven en is een ontslagbrief overhandigd. In de brief staat onder andere dat uit het onderzoek is gebleken dat in anderhalve maand meerdere kostbare zendingen zijn verdwenen.

De werkgever heeft twee maanden later een verrekeningsverklaring aan werknemer verstuurd. De gefixeerde schadevergoeding is verrekend met enige vordering die de werknemer nog op FedEx zou hebben, waaronder eventuele nog resterende componenten van de eindafrekening.

Verzoek

De werknemer is het niet eens met de verrekening. De man besluit naar de rechter te gaan en verzoekt de rechter de werkgever te veroordelen een billijke vergoeding, een transitievergoeding en een gefixeerde schadevergoeding aan de werknemer te betalen. Werknemer stelt dat de werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Het ontslag zou ten onrechte zijn gegeven. De werknemer bestrijdt dat hij opzettelijk de oorbellen zou hebben ontvreemd.

Daarnaast stelt de werknemer dat het ontslag niet onverwijld zou zijn gegeven. De werknemer vindt de periode van 16 dagen te lang om vast te stellen dat sprake was van een vermoeden tot het vaststaande feit en ontslag. Ook zou niet blijken welk handelen of nalaten als dringende reden wordt aangemerkt. Er zou volgens de werknemer geen dringende reden zijn. Door geen dringende reden te hebben, zou de man recht hebben op een billijke vergoeding.

De werkgever stelt dat wel sprake is van een dringende reden. Uit het interne onderzoek blijkt immers dat de verdwenen oorbellen met zekerheid zijn te linken aan de werknemer. Er was geen melding van diefstal of braak aan de bus. Werknemer is met de feiten geconfronteerd en heeft geen verklaring kunnen geven. Eerdere verdwijningen kunnen ook aan de man worden gelinkt. De werkgever heeft geen vertrouwen meer in de man en heeft daarnaast forse schade geleden. Ook zou zijn aan de onverwijldheidseis en de mededelingsplicht.

Beoordeling

De rechtbank heeft geoordeeld dat het ontslag op staande voet van de chauffeur terecht was. Van werkgever kon niet worden verwacht de arbeidsovereenkomst in stand te houden. De man heeft hiermee geen recht op een gefixeerde schadevergoeding. Het ernstig verwijtbaar handelen van de werknemer staat niet vast. Hij was slechts chauffeur en heeft geen verklaring voor de vermissing. Ook heeft de werknemer geen recht op een billijke vergoeding. De werkgever moet een transitievergoeding betalen, nu niet vaststaat dat de werknemer ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. De werkgever kan wel een gefixeerde schadevergoeding van werknemer eisen. De kantonrechter heeft vastgesteld dat de werkgever een bedrag van 605,49 euro aan de werknemer moet betalen. Dit bedrag is het verschil tussen de transitievergoeding voor de werknemer en de gefixeerde schadevergoeding voor de werkgever.

Klik hier voor de volledige uitspraak.

Silver Advocaten

Heeft u een arbeidsrechtelijke vraag? Neem dan contact met ons op. Wij helpen u graag.

Jip van Vlokhoven

Wij staan voor u klaar

  • Wij laten niet los
  • 10+ jaar ervaring
  • Eerlijk en transparant
Stel ons uw vraag Laat ons u bellen