Loonsverlaging wegens corona mocht volgens de rechtbank

Werkneemster is in 2018 bij werkgever in dienst getreden. Het dienstverband is later voor onbepaalde tijd verlengd. Een werkgever heeft haar personeel in maart 2020 voor een keuze gesteld. Zij konden uit dienst gaan en een vergoeding van twee maanden aan brutosalaris meekrijgen of zij konden kiezen voor een urenreductie van 50% voor de komende 5 maanden, waardoor het salaris ook werd verlaagd conform de gewerkte uren. Alle werknemers hebben voor de tweede optie gekozen. De evaluatie en de eventuele aanpassingen naar de gewone arbeidsduur worden vanaf augustus 2020 weer bekeken.

Werkgever heeft de winkel weer op 11 mei 2020 geopend. Twee weken later heeft zij een loonsubsidie bij de overheid aangevraagd. De aanvraag wordt afgewezen, aangezien er geen omzetdaling van meer dan 20% (meer) was. Er wordt later wederom een aanvraag ingediend. Deze aanvraag wordt voor de maand mei goedgekeurd. Het gaat om een bedrag van 60% van de totale loonsom van werkgever. Er zijn geen verdere aanvragen voor loonsubsidie ingediend.

Werknemer dient een klacht in over de reductie van het loon, aangezien ook een overheidssteun was aangevraagd. Werknemer vond het niet terecht dat werd gekozen voor een loonsverlaging en een loonsubsidie werd aangevraagd. Daarom zou werknemer zijn misleid. Daarom staat zij niet langer achter de toestemming van de urenreductie en verlaging van het salaris naar evenredigheid. Werkgever heeft werknemer op staande voet ontslagen.

Verzoek

Werknemer is bereid het werk te verrichten tegen betaling van het regulier loon. Werkgever zou grovelijk tekort zijn geschoten in haar verplichtingen die uit de arbeidsovereenkomst voortvloeien. Daarnaast wordt verzocht de werkgever te veroordelen het verschil tussen het uitbetaalde salaris en het reguliere salaris uit te betalen, inclusief wettelijke rente en verhoging. Werkgever zou de arbeidsovereenkomst onregelmatig hebben beëindigd en hiervoor schadeplichtig zijn. Werkgever verzoekt de rechter om de vorderingen van werknemer af te wijzen en werknemer in de proceskosten te veroordelen.

Oordeel

Werkgever is gevestigd in een land, dat van toerisme afhankelijk is (namelijk voor 90%). Wegens de coronacrisis is er een drastische terugloop waar te nemen. Vooral werkgevers die leven van toerisme, hebben het zwaar te verduren. Dit blijkt ook uit overzichten van de omzet. Daarom wordt terughoudend omgegaan met het toekennen van een schadevergoeding aan werknemer.

Werknemer heeft weliswaar schade, maar heeft hiermee zelf ingestemd. Werkgever heeft werknemer niet bedrogen, aangezien het duidelijk was dat het bedrijf een noodzaak had om deze opties aan werknemers te bieden. In dit geval was dit voorstel dan ook redelijk. Ondanks dat het gaat om een forse reductie, kon beëindiging van het dienstverband worden voorkomen.

Het ontslag op staande voet is niet geldig, aangezien het ontslag niet met terugwerkende kracht kan worden gegeven. Daarnaast is ook sprake van een onberispelijk dienstverband. Het niet eens zijn met reeds gemaakte afspraken kan geen reden zijn voor een ontslag op staande voet. De arbeidsovereenkomst bestond na april 2020 dus nog steeds.

Er kan niet worden gesteld dat werkgever grovelijk in de verplichtingen tekort is geschoten. Wel is sprake van een onregelmatige opzegging; hiervoor wordt een maandsalaris van 1 maand toegewezen voor 50% zoals eerder overeengekomen. Werkgever moet voor 1 februari 2021 de jaaropgaaf en de correcte salarisstroken aan de werkneemster verstrekken, op straffe van een dwangsom.

Klik hier voor de volledige uitspraak.

Silver Advocaten

Heeft u een vraag over het betalen van loon of een andere arbeidsrechtelijke vraag? Neem dan vrijblijvend contact met ons op.

Victor Welten

Wij staan voor u klaar

  • Wij laten niet los
  • 10+ jaar ervaring
  • Eerlijk en transparant
Stel ons uw vraag Laat ons u bellen